De kathedrale Domtoren (1370-1580) 

Domtoren 1328  

De oorspronkelijk ontworpen bekroning van de Domtoren (links) met een van de vier grote hoektorens en het daadwerkelijk gebouwde achtkant met lagere houten kap (rechts). Bij het nieuwe plan werd er een gewelf in de lantaarn aangebracht, dat naast een samenbindende functie ook een vorm van brandpreventie was. Mocht er door een blikseminslag brand in de houten kap uitbreken, dan kon met het stenen gewelf worden voorkomen dat er brandende onderdelen de lantaarn in zouden vallen. 

 


scheuren

 

Voor voldoende stabiliteit en samenhang van de acht pijlers werden in de lantaarn om de 1,80 meter kettingankers aangebracht. De brugijzers waren met ogen en spieën aan ijzeren staven gekoppeld die in de pijlers waren ingemetseld. Er ontstond zo een rond omgaande verankering. Het smeedwerk voor de acht kettingankers zal door plaatselijke smeden zijn uitgevoerd.

 

 


Domtoren  

Reconstructie van de fraaie vloer van Drachenfels trachiet, die omstreeks 1360 in de vloer van het toen nog te bouwen achtkant werd gelegd. De platen vormden een achthoekig concentrisch patroon dat werd doorsneden door een ster van acht lopers.


Kapconstructie

 

Aan de hand van een doorsneetekening uit 1838, een opmetingstekening uit 1907 en de foto's die tijdens de afbraak zijn genomen, kon de oorspronkelijke kap van de Domtoren worden gereconstrueerd. Het blijkt om een achtzijdige sporenkap te gaan die voor de tijd waarin hij werd gebouwd al redelijk ouderwets was. Een dergelijke kap zou namelijk eerder passen in het eerste kwart van de veertiende eeuw dan in de jaren kort voor 1380 toen hij werd opgetrokken.


Kapconstructie

 

De oorspronkelijke kap van de Domtoren bestond uit 64 sporen, waarvan er acht per dakdeel waren aangebracht. Op vier niveaus waren deze sporen via hanenbalken verbonden met de koningsstijl, de verticale spil in het midden. Aangezien het niet mogelijk was om alle sporen direct met de spil te verbinden, werden alleen de haanhouten er direct aan gekoppeld. Van bovenaf zag elk niveau van deze constructie eruit als een ijskristal.

 


Kapconstructie

 

Nadat de torenkap was beschot, werd hij met leien gedekt.

 


Domtoren 1410  

Toen de kap klaar was en het onderliggende lantaarngewelf was gemetseld, konden de laatste kwetsbare onderdelen, zoals de balustrades op de tweede en derde omgang worden geplaatst. Nadat begin 1382 de windhaan op de toren werd verguld, was de Domtoren voltooid. Op deze reconstructie van omstreeks 1410 is de Domtoren in zijn oorspronkelijke versie te zien. De balustrade op de eerste omgang zou pas tijdens de eerste grote restauratie van 1519-1525 worden aangebracht. Mogelijk was hij wel roodwit beschilderd, zoals op een van de volgende afbeeldingen is te zien.

 


Domtoren 1410

 

Uit de oudst bewaarde rekeningen van de Domfabriek uit 1395 en de jaren daarop blijkt dat het bouwbedrijf in die tijd hard aan het werk was aan de kap van het koor. Dat wordt ook bevestigd door dendrochronologisch onderzoek, waaruit is gebleken dat veel hout uit de kap omstreeks 1386 is gekapt. Nadat de Domtoren in 1382 gereed was, werd er dus geen bouwpauze ingelast, maar ging het Domkapittel gelijk door met de verdere bouw van het koor. Op deze impressie is de situatie van 1396 weergegeven toen er planken en balken in de koorkap verwerkt werden. Het onderste deel van het koor was al enige tijd in gebruik bij het Domkapittel. Dat kon doordat er ter hoogte van het triforium een tijdelijke kap was aangebracht.

 

 


Bisschopsloge

 

Toen aan het eind van de vijftiende eeuw een begin werd gemaakt met de bouw van het gotische schip, werd besloten om kerk en toren alsnog met elkaar te verbinden. Dat gebeurde echter met een brugkapel, zodat het mogelijk bleef om van het immuniteitsterrein van de Dom naar dat van Oudmunster te lopen. Toen in 1484 met de westgevel van het schip werd begonnen, moet het ontwerp voor de brugkapel al klaar zijn geweest, zodat er rekening kon worden gehouden met de gewelfaanzetten en dergelijke. De brugkapel kon in 1495 in gebruik worden genomen.


klokkenstoel  

Omstreeks 1504 besloot het Domkapittel dertien nieuwe luidklokken aan te schaffen bij de beroemde klokkengieter Geert van Wou. Voor de nieuwe klokken, die in 1505 werden gegoten en bij elkaar meer dan 30.000 kg wogen, werd ook een nieuwe klokkenstoel gebouwd. Het benodigde hout was grotendeels afkomstig uit het Oostzeegebied. Om de nieuwe stoel te kunnen dragen, werden er onder in het tweede vierkant grote bakstenen bogen gemetseld.

 


klokkenstoel

 

Reconstructie van de oorspronkelijke klokkenstoel uit 1355 (links) en die uit 1505. In tegenstelling tot de oude klokkenstoel kwamen de klokken in de nieuwe grotendeels naast elkaar te hangen. Ze hingen ook lager ten opzichte van de onderdorpels van de galmgaten wat mogelijk een negatieve invloed op de klank had. Mogelijk lag daar de reden waarom het Domkapittel niet zo tevreden was met het uiteindelijke resultaat. Dit terwijl de Van Wou-klokken zelf regelrechte meesterwerken waren.

 


St Maarten

 

Om het Sint-Maartensfeest meer luister te geven, werd er in 1516 een grote lantaarn gemaakt, die in het achtkant van de Domtoren kon worden opgehangen. In de lantaarn konden dertig kaarsen worden gebrand die met glas omgeven waren, zodat ze niet zouden worden uitgeblazen door de wind. Hier een reconstructie van de grote lantaarn, die ook in de jaren na 1516 werd gebruikt.

 


wittespits

 

Tussen 1519 en 1525 vond de eerste grote restauratie van de Domtoren plaats. In die jaren werd het achtkant opnieuw gewit. Daarvoor schafte het Domkapittel in de jaren tussen 1519 en 1524 maar liefst 4629 pond loodwit aan dat met lijnzaadolie werd aangemaakt.


restauratie

 

Tijdens de restauratie van 1519-1525 kreeg ook het onderste vierkant een facelift om de robuuste en sobere architectuur uit de bouwtijd van de toren beter aan te laten sluiten bij de veel rijker gedecoreerde stijl van het onlangs min of meer voltooide schip. Daartoe werden alle open nissen van de beide gaanderijen van laatgotische balustrades voorzien. Bij de bovenste gaanderij kwamen zij in de plaats van de gesloten borstweringen, bij de onderste werden zij er boven op geplaatst. In beide gevallen werd als onderrand een vooruitstekende waterlijst toegevoegd. Ook de eerste omgang kreeg in 1525 een natuurstenen balustrade.

 


Roodwit Domtoren

 

De Domtoren zag er in de middeleeuwen anders uit dan nu. Zo werd het achtkant, ook wel de lantaarn genoemd, tijdens de restauratie van 1519-1525 met loodwit beschilderd dat was aangemaakt met lijnzaadolie. Aangezien de natuursteen voorafgaand aan het schilderwerk zorgvuldig werd schoongekrabd met schraapijzers om vuil en mogelijke oude verfresten weg te halen, lijkt het erop dat de lantaarn al eerder beschilderd was geweest en in die jaren slechts van een nieuwe verflaag werd voorzien.

De achtervlakken van de twee ondergelegen vierkanten waren daarentegen rood geschilderd. Aan de noordzijde van de toren zijn de resten rode verf zelfs nog steeds op de baksteen zichtbaar. De Domtoren was dus rood en wit, zoals op deze reconstructie is weergegeven. Die kleuren verwezen naar de doorgesneden mantel van Sint-Maarten, de schutspatroon van de Dom. Het zijn dezelfde kleuren die nog steeds in het stadswapen van Utrecht zijn terug te vinden.

 

 



utrecht 1525

 

Reconstructie van de Dom in de middeleeuwse stad kort na de restauratie van 1519-1525. Ten zuiden van de Domtoren staat nog de kerk van Oudmunster, die in 1587 gesloopt zou worden. Links naast de toren, dus meer naar het westen, staat de Buurkerk, met de nog hoge middeleeuwse kap. Rechts bovenin is de Janskerk afgebeeld, met alleen nog de zuidelijke westtoren. Links daarvan staat de lange kerk van het Minrebroederklooster. Geheel rechts op de afbeelding is nog een toren van de Pieterskerk te zien. Onderin, naast de boomgaard, is een deel te zien van de kerk van de Paulusabdij.